Naar inhoud

De geschiedenis van Merelbeke - een algemene impressie

door Gilbert De Bruycker


Oude kronieken leren ons dat de gemeente in het verleden zeer waterrijk was en dikwijls met watersnood had te kampen. Dat zou dan een verklaring kunnen zijn van de naam Merelbeke. Het woord zou dan samengesteld zijn uit 'lei-of leebeek naar het meer', zoals de oudste bekende namen Marlebe(c)ca en Meerlebecque doen onderstellen. De Romeinen verschansten zich waarschijnlijk op de hoogten van de gemeente, want nergens werden zoveel munten gevonden van Romeinse keizers: in 1781 een tweehonderdtal, o.a. van Trajanus, Hadrianus, Antonius, Marcus-Aurelius e.a.

Bij opgravingen in 1785 legde men een oude vaas bloot en kort daarop vond men in de Schaperstraat méér dan 50 urnen gevuld met beenderen en as. Latere vondsten waren net zo belangrijk: in 1797 een aarden vaas met 98 zilveren munten en in 1800 nogmaals 14 bronzen waarvan sommige de beeldenaar droegen van Valens, andere die van Cesar met op de keerzijde de Vesta-tempel. Nog in 1824 groef men een silexbijl op. Karel de Grote kwam hier waarschijnlijk voorbij toen hij in 811 te Gent de bouw van een oorlogsvloot tegen de Noormannen voorbereidde.

Méér dan 150 jaar na het verdrag van Verdun (843) waarbij het rijk van de grote keizer verbrokkelde, dook de naam Merelbeke voor het eerst in de geschiedenis van onze gewesten op. Merelbeke was toen een heerlijkheid die deel uitmaakte van het graafschap van Aalst en van het leengoed Ter Steene dat van Aalst afhing. In het begin van de leenroerige tijd behoorde het gebied aan een adellijk geslacht, waarvan o.a. bekend zijn: Robert van Merelbeke (1118), Michiel van Merelbeke, die samen met zijn graaf Gwijde van Dampierre door Philips Le Bel werd gevangen gezet in Parijs vlak voor de Guldensporenslag van 1302, en verder Jan en Pieter van Merelbeke (1351) die volgens het Zoendincbouc van Gent, in 1378 een schadeloosstelling van 144 pond parisis moesten betalen aan een zekere Jan Penneman, aan wie zij slagen hadden toegebracht.

Na dat geslacht kwam de heerlijkheid van Merelbeke aan de adellijke familie Van der Cameren, aan wie zij tot bij het begin van de 18de eeuw bleef toebehoren. De Gentse familie Triest volgde haar op. Toen Theodoor Triest in 1740 overleed zonder een huwelijk te hebben gesloten, kwam Merelbeke aan de familie Damarin. In datzelfde jaar deed heer Willem-Antoon Damarin, raadsheer en schatbewaarder van Brugge, proost van de gilde van het H. Bloed, hier zijn plechtige intrede. Onder klokgelui en losbranden van geschut werd hem door de baljuw en de pastoor hulde bewezen. Als heer van Merelbeke en Lemberge riep Damarin de vierschaar bijeen "om ieder recht te doen". De dag werd besloten met een groot feestmaal. De dochter van Damarin overleefde twee echtgenoten voor zij werd opgevolgd door de familie van den Bogaerde.

Een groot deel van het rechtsleven van die tijd speelde zich af voor de vierschaar die in de buurt van de St.-Eligiuskapel stond. Binnen Merelbeke lagen verscheidene belangrijke bezittingen of hoven. Het Hof ter Hagen aan de Schelde bv. behoorde toe aan de St.-Pietersabdij, zoals blijkt uit het leenboek van die abdij (1375) dat nauwkeurig de pachtvoorwaarden en de geheven tienden bepaalde. Er bestond ook een Klein Hof ter Hagen dat door de graaf van Vlaanderen in leen werd gegeven. De meier was de ontvanger van de cijnzen van de heer in de omgeving, waakte over de eerbiediging der collectieve landgebruiken (omtuining der bezaaide velden, vruchtwisseling enz.) of vervulde de rol van een lagere gerechtsdienaar die bv. de inbeslagneming uitvoerde wanneer een cijnsplichtige met zijn betaling ten achter bleef. Ofwel zat hij rechtszittingen over kleine geschillen voor. Hij had het recht te Merelbeke een plaatsvervanger aan te stellen, de vierschaar te spannen over alle erfeniszaken, de aangehouden en de door de baljuw wettelijk overgeleverde personen gedurende drie dagen op zijn kosten in hechtenis te houden.

Belangrijker nog dan Ter Hagen was het goed van Crombrugge, dat in 963 door de St.-Pietersabdij werd verworven en dat door Keizer Otto I in 966 werd erkend en beschermd. Het was diezelfde keizer die er in Duitsland naar streefde de koninklijke macht weer sterk te maken ten nadele van de hertogen. Daarom bekleedde hij de bisschoppen met wereldlijke ambten en creëerde hij alzo een Rijkskerk.

In het begin van de 12de eeuw ontnam de Vlaamse graaf Karel de Goede het kasteel van Crombrugge aan Boudewijn van Aalst omdat hij geweigerd had leenhulde te brengen aan de abt van de St.-Pietersabdij. Omstreeks 1275 oefende gravin Margaretha van Constantinopel alle rechtsmacht uit over het goed, daarbij geholpen door een meier en zeven schepenen die niet alleen zaken van erven en onterven en van eigendomsgeschillen voor de vierschaar beslechtten, maar ook driemaal per jaar, in maart, mei en augustus, de staat van wegen, bruggen en waterlopen nagingen om nalatigheid in het onderhoud met boete te straffen.

In 1263 ontstond een geschil tussen de meier Hendrik van Badelinghem en de abt van de St.-Pietersabdij over de oude landbouwgebruiken. Het toen 12 hofsteden tellende goed van Crombrugge kreeg na een bewogen dispuut een nieuw voorschrift voor de akkerbouw. Dat voorschrift, dat op verzoek van de Waalse meier in het Frans werd gesteld, wordt beschouwd als wellicht het oudste in Vlaanderen. Nooit voorheen werden de rechten en de plichten van de beide partijen zo nauwkeurig vastgelegd. Het drieslagstelsel dat hier sinds Karel de Grote in zwang was en waarbij om het jaar een derde van het bouwland braak lag, werd nogmaals uitdrukkelijk voorgeschreven. De tienden die in natura aan de abdij verschuldigd waren, werden pas in 1371 veranderd in een jaarrente van 10,5 gulden.

Onder de andere bezittingen van de St.-Pietersabdij was er te Merelbeke een goed waarvan de leenman de plicht had van de baljuw der abdij of de bevelhebber der troepen, telkens als die ten strijde trok, een paar nieuwe sporen aan te spannen. Dat moest gebeuren aan de grenspaal van de abdijbezittingen terwijl de legeraanvoerder te paard zat. Dat er aan alles gedacht werd, vooral aan de rechten van de verpachter, blijkt uit een akte van 1248. De eigenaar verpacht de hoeve niet alleen tegen 6 pond grote en 2 m³ vlas jaarlijks, daarenboven behoudt hij zich het recht voor beslag te leggen op de helft der duiven "die in het duivenhuis zouden bevonden worden". De pachter moet altijd een gemeubelde kamer ter beschikking stellen van de eigenaar indien het die mocht believen op de hoeve in te trekken. In de boomgaard mag hij plukken van "een Spaanse kerseboom, een pere- en een appelboom en twee kriekebomen". Vermeldenswaardig is wel dat de abdij van St.-Pieters, behalve de gewone heerlijke rechten op haar bezittingen, te Merelbeke ook vrije jacht en vogelvrij had. De tienden behoorden voor twee derden aan de abt van St.-Pieters, de rest was voor de pastoor.

Dat Merelbeke veel te lijden had van de middeleeuwse troebelen is niet te verwonderen, wegens de ligging op het kruispunt van belangrijke wegen naar Aalst, Geraardsbergen en natuurlijk Gent. In maart 1382 stond Gent op tegen zijn graaf Lodewijk van Male. Honderden Gentenaren plunderden Ronse op Witte Donderdag. Terwijl ze te Merelbeke hun buit verbrasten, werden ze door de grafelijke troepen overvallen. De edelen versloegen er "al dater van quate seditieuzen bloede was". Sommige opstandelingen sprongen "van grooter verdwelmteit in de Schelde ende versmoorden."

Toen Gent in 1453 weer de wapens opnam tegen zijn Bourgondische hertog werden de gemeentenaren bloedig verslagen bij Gavere. Op hun vlucht naar Gent werden ze door de ruiterbenden van Filips de Goede achterhaald op de wijk Moelenhoek. Om de aftocht van de vluchtelingen te begunstigen, bood een keurtroep van 800 wevers daar weerstand tot het uiterste. De naam van Cornelis Sneysens, vaandrig der Gentenaars, blijft als een symbool van weerbaarheid en plichtsbesef voortleven in het gedicht van Albrecht Rodenbach. Op het einde van de 15de eeuw grepen hier sporadisch schermutselingen plaats tussen Gentse soldeniers en ruiterbenden van Maximiliaan van Oostenrijk. Ondertussen kwamen vanuit het verre Wittenberg de Lutheraanse ideeën overgewaaid.

In 1566 trok de Beeldenstorm over onze gewesten. De Spaanse troepen die ter bestrijding van de ketters werden gezonden, kampeerden hier in 1567. In februari 1568 plunderden landlopers de gemeente, een voorbeeld dat door de Spaanse ruiters in 1569 en 1571 geestdriftig werd nagevolgd. Telkens werden de boeren uitgeschud om de Spaanse proviandwagens te vullen. In januari 1572 trokken onze boeren gewapend op om de kerken en andere geestelijke goederen te beschermen tegen de geuzen die zich tengevolge van de strenge plakkaten van Filips II altijd maar driester toonden en over onze gewesten een echt schrikbewind uitoefenden. De lijst van berovingen, onkosten en verwoestingen sedert Alva's komst door de Spanjaarden veroorzaakt, was in 1574 aanzienlijk. In juli 1575 werd hier een algemene biddag georganiseerd, een voorbeeld dat weldra door andere Vlaamse dorpen werd nagevolgd. Om de bevolking in haar jarenlange verdrukking te troosten en te sterken, verleende paus Gregorius XIII in 1576 en volle aflaat "in vorm van jubilee". Nog in hetzelfde jaar werd de gemeente verplicht 100 pond te betalen om het verblijf van een ruiterbende te bekostigen die hier 12 dagen had gekampeerd. In september zond de gouverneur van Vlaanderen Merelbeekse delvers naar het St.-Claraklooster te Gentbrugge om er aan versterkingswerken te arbeiden. Nauwelijks enige uren later omsingelden de Spanjaarden het dorp en bedreigden de ingezetenen met brand en plundering als ze geen brandschatting betaalden.

De jaarwisseling 1576-1577 was evenmin voorspoedig. Na de ruiters van de heer van Wakken kwamen Franse troepen. Nadien maakten landlopers uit het leger van Mondragon het hier zo bont dat ze onder de naam van Merelbeekse rovers bekend bleven. Zij waren het die uit de Gentse gevangenis de beruchte Van Hembyse verlosten. Ze hielpen hem in de eerste-schepenzetel en oefenden een calvinistische terreur uit over de stad. De in 1576 door Noord en Zuid ondertekende Pacificatie van Gent past hij al te willekeurig toe. Samen met Pieter Datheneus, een afvallige karmeliet uit Frans-Vlaanderen, hitste hij de bevolking op en zette haar aan tot gewelddaden tegen de katholieken, zodat het in Gent en omgeving op een nieuwe beeldenstorm uitliep. Nadat hij voor Oranje had moeten onderdoen, knoopte hij met Farnèse onderhandelingen aan, maar zijn volgelingen vonden het nu welletjes en onthoofden hem wegens hoogverraad.

In april 1579 verbleven hier 100 Schotse ruiters. Ze verplichten de boeren hen allerlei proviand – zowel schapen als bier – te leveren en hun zakken met geld te vullen. Toen bekend werd gemaakt dat de gemeente het hergroeperingscentrum zou worden voor de uiteengeslagen legerbenden, namen de gegoede lieden van Merelbeke en Gent de vlucht naar Holland. Het verlaten dorp viel in de handen van de troepen die de meeste eigendommen plunderden en vernielden. Zelfs de veldgewassen maaiden ze af. Toen het gespuis verder trok naar Gent, kerden sommige boeren naar hun haardstede terug, maar in de namiddag werden ze door de teruggekeerde benden opnieuw bestolen, beschimpt en mishandeld. Deze moedwillige plunderingen vielen onze mensen des te zwaarder daar een rijkelijk beladen proviandschip alle troepenbewegingen langs de Schelde-oevers volgde. De 1ste augustus werd het hoofdkwartier van het regiment van Moriant naar Terhand overgebracht. Amper acht dagen later schudden Egmondse ruiters de bevolking nogmaals uit. De buit, voornamelijk lijnwaad, werd op de Gentse markt verkocht. Tot overmaat van ramp beval de Gentse overheid dat de boeren op straf van verbeurte van goederen, alle gedorste granen naar de stad moesten brengen. Soldaten uit het Aalsterse trokken hier de 16de oktober rovend voorbij. De pastoor werd op 31 december 1579 met geweld gedwongen het door de geuzen gemaakte gelag te betalen. De Malcontenten, die schoon schip wilden maken met de calvinistische onverdraagzaamheid, werden ook hier steeds meer bedrijvig. Nadat Egmondse ruiters reeds in januari 1580 bijna alles hadden opgeëist, voltooiden de Malcontenten het werk in april. Wat voorheen nog niet gebeurd was, had plaats op 24 oktober: vijandelijke ruiters stalen het vee en gijzelden enige boeren. Er ging geen jaar meer voorbij of de ingezetenen van de gemeente werden drie- of viermaal lastiggevallen en uitgeschud.

In januari 1587 roofden de Malcontenten vele koeien uit de Merelbeekse weiden. Ze hadden geen oor voor de bede van de boeren die voor hun dieren graag een losgeld hadden betaald. Het vee werd op de markt in Aalst verkocht. Toen dezelfde dieven zich kort daarop voor de tweede maal vergrepen aan het vee van baljuw Geraard van Schoorisse, kreeg die na tussenkomst van de burgemeester zijn eigendom terug. In de nacht van 24 juni kwamen de Malcontenten weer en roofden bij de St.-Eligiuskapel een groot aantal paarden.

Eindelijk, in november 1583, deed men hier verdedigingstroepen legeren, zodat het in de streek wat rustiger werd. Ruim een halve eeuw oproer en twist werd voor korte tijd vergeten toen de aartshertogen Albrecht en Isabella het bewind over de Nederlanden voerden. De expansiepolitiek van Lodewijk XIV bracht omstreeks het midden van de 17de eeuw het begin van een nieuwe onheilsperiode voor Merelbeke. Zowel te land als te water trokken troepen voorbij die op kosten van de gemeentenaren moesten worden gevoed en geherbergd.

De eerste vrede van Aken (1668) bracht mede dat Gent een grensstad werd. De omgeving van de stad werd grondig vernield, de stad zelf werd afgegrendeld. Begin maart 1678 werd Gent belegerd door Lodewijk XIV. De vorst, die zijn troepen vergezelde, verbleef voor zijn intrede in de stad in het Verlorenbroodhof te Merelbeke. De gemeente werd ertoe gedwongen de oorlogvoerende partijen te bevoorraden. In juni 1706 roofden Franse troepen 41 paarden van de Hollanders die tegen hen te velde trokken. Toen de Fransen in 1708 weer voor de poorten van Gent stonden, vestigde de beruchte Marlborough, van wie sir Winston S. Churchill een directe nazaat was, zijn hoofdkwartier te Merelbeke. De Gentenaren die hem hier kwamen smeken hun stad van het oorlogsgeweld te willen sparen, zond hij wandelen.

Het verdrag van Utrecht (1713) bracht de Spaanse Nederlanden onder Oostenrijks gezag. De dood van Karel VI en de door de mogendheden betwiste troonopvolging van Maria-Theresia brachten alweer donkere jaren, maar over het algemeen werd de regering van de keizerin gekenmerkt door een betrekkelijke rust. Dat veranderde toen Jozef II haar opvolgde in 1780. Zijn verlicht despotisme wekte afkeuring en ontevredenheid. Het opstandelingenleger van Vonck en Van der Noot werd hier ter plaatse gesteund door een vrijwilligerskorps dat van de bevolking een zesponder met twee paarden en een voerman meekreeg.

In 1789 brak de Franse revolutie uit. Toen onze streken in 1792 in Franse handen vielen, werden de gemeentenaren naar de parochiekerk ontboden om er hun vertegenwoordigers te kiezen. Dat gebeurde bij handgeklap. Na de verkiezing deed men rond de vrijheidsboom de eed van trouw aan de nieuwe orde. Maar toen in het zevende jaar van de République Française – une et indivisible – bevolen werd de klokke af te doen binnen de commune, bekoelde de geestdrift. Tijdens de Boerenkrijg (1798) kende men ook te Merelbeke een opstandige beweging van brigands. Hier, zoals overal elders, was het oproer ontstaan uit de lichting van de lotelingen en het innen der belastingen. Er werden sansculotten naar hier gezonden om het een en het ander te regelen. De gemeente moest de kosten dragen. De volkstaal werd in het bestuur vervangen door het Frans. De Gazette van Gent drukte alleen tweetalige teksten af. Zelfs de advertenties verschenen in het Frans. Napoleon bezocht tot driemaal toe Gent.

Het oversmokkelen vanuit Engeland van de mule-jenny door Bauwens gaf o.m. aanleiding tot de nijverheidsrevolutie die voor de 19de eeuw kenmerkend was. Vooral gevangenen, vrouwen en kinderen vanaf zes jaar werden aan het werk gesteld. De vlucht van de plattelandsbevolking naar de stad was zo goed als niet bestaande, daar de ondernemers talloze huiswevers van buiten voor zich lieten werken. Gedurende de beruchte honderd dagen na Napoleons terugkeer van Elba was er hier beroering toen men vernam dat Lodewijk XVIII uit Frankrijk was gevlucht en zich in de Veldstraat te Gent had gevestigd.

Na de verbanning van Bonaparte naar St.-Helena bond het Congres van Wenen ons lot aan dat van Nederland. In 1827 werd het kanaal van Gent naar Terneuzen voltooid. Om de buitenlandse mededinging het hoofd te kunnen bieden, hielden de ondernemers van de bedrijven in de kanaalzone de lonen bespottelijk laag. Niet zelden verdienden de arbeiders die werkten van half zes in de ochtend tot tien uur 's avonds slechts 36 centiemen. Er waren spinsters die het brachten tot 10 centiemen per dag. De prijs van een brood bedroeg 12 centiemen. De werkweek telde 78 uren. Ook de stichting van het onafhankelijk België bracht geen verbetering mee van de treurige economische toestanden. De oogst mislukte jaar na jaar, de aardappelplaag heerste, de levensmiddelen werden schaarser en duurder. Op het platteland was de hongersnood het grootst, want de grote vlasbedrijven die te Gent oprezen, hadden de huisnijverheid gedood die de meeste gezinnen in leven hield. De cholera sleepte hier in 1847 en 1886 in totaal 80 personen naar het graf. Méér dan 100 mensen bezweken aan tyfus in 1866 en 1890.

Vanouds waren de overstromingen voor Merelbeke een jaarlijkse gesel. In oude kerkrekeningen lezen we dat men de gelovigen met bootjes naar de kerk roeide. Het een en ander verbeterde nadat in de 19de eeuw de Scheldemeanders nabij de St.-Eligiuskapel werden doorgesneden. Toch kwamen nadien nog overstromingen voor die echter werden veroorzaakt door de vervuiling van de rivier, waarlangs een vijftiental steenovens werkten. In de hongersnoodjaren had men te Merelbeke geen duimbreed grond onbebouwd gelaten. Vele vijvers en bossen verdwenen. De boeren kweekten niet alleen koolzaad, ze vervaardigden ook olie. Niet alleen wonnen ze koren, ze maalden het graan en stookten jenever. Zo schreef een landbouwconsulent nog in 1864 over de Merelbeekse boeren. Het dagloon der veldarbeiders dat sinds 1830 bijna onveranderd bleef, schommelde rond de 64 centiemen voor de mannen en 38 centiemen voor de vrouwen, plus het voedsel. Ter vergelijking: in 1860 kostte een zijden vrouwenjurk 9,5 frank. Men had geen vaste werktijd; deze werd vooral 's zomers bepaald door het daglicht.

Heel wat adellijke families hadden hier hun huys van plaisance ofte buitenverblijf. Eén der belangrijkste was wel het blauwhuys aan de Schelde, waarvan de originele eigendomsbewijzen tot 1586 teruggaan. Bij KB van augustus 1838 werd de gemeente gemachtigd een jaarmarkt van paarden en hoornvee te houden. Het onderwijs was grotendeels in handen van de plaatselijke geestelijkheid. In 1832 waren er drie leerkrachten die zorgden voor 168 kinderen. Vanuit Oostende machtigde Leopold I in 1854 de gemeente een lening aan te gaan, om een gemeenteschool te bouwen. "Twee en half uren per school is den duer der leeroefeningen, voorwerp van het onderwijs: de christelijke leering, de grondregels der tael, de cijfferkunde, de stijl der brieven, quittantiën enz.", zo noteerde het toenmalige schoolhoofd. In 1859 werd met de giften van enige inwoners een hoeve aangekocht en tot godshuis ingericht. Twee kloosterzusters Maricolen verzorgden er zieken en mensen op leeftijd. Er was een kost- en een armenschool en voor de meisjes een speldenwerkschool. De overbevolkte klassen (gemiddeld 60 à 80 leerlingen), het onregelmatige schoolbezoek en het voortijdige verlaten van de school waren medeoorzaken van het grote aantal analfabeten. Nog in 1909 moest de zondagschool voor jongens gesloten worden omdat vele leerlingen niet of onvoldoende geletterd waren om de tekenschool te kunnen volgen. Een avondschool voor volwassenen kwam in de plaats.  Het is onzeker of de Merelbeekse rederijkerskamer die in 1749 ‘De H. Genoveva’ en ‘Een Klucht’ opvoerde, toen nog bestond. Het in 1861 opgerichte zanggenootschap De Scheldegalm, dat in 1863-64 aan verscheidene festivals deelnam, werd in 1865 vervangen door een fanfare.

Bij het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog (1870) werden ook enige Merelbekenaren gemobiliseerd teneinde de Belgische neutraliteit te helpen beschermen. Stilaan verplaatste de aangroeiende bevolking zich van de lage Schelde-oevers naar de hoger gelegen gedeelten rond de Gaverse- en de Hundelgemsesteenweg. De oude kerk langs de Schelde was trouwens te klein geworden. Na méér dan 800 jaar wel en wee te hebben meegemaakt, zou ze moeten verdwijnen. Toen Robrecht de Fries in 1071 de troon van Vlaanderen beklom, liet hij een dertigtal kerken en kapellen uit deze streken toewijden aan St.-Pieter, als verzoening voor de dood van één van zijn neven die in dat jaar sneuvelde in de strijd die Robrecht tegen hen voerde, om hun het graafschap met geweld te ontrukken.

Tot die kerken behoorde ook de Merelbeekse die afgebouwd was in 1108. Voor de Beeldenstorm schijnt de kerk rijk geweest te zijn. Bij het uitbreken der beroerten in de 16de eeuw, werden de beelden, schilderijen en andere kostbaarheden uit de kerk gehaald en door de bevolking verborgen. De pastoor dook onder te Rupelmonde. De verwoestingen, door soldaten en geuzen aangericht, moeten aanzienlijk geweest zijn. In 1768 liet de pastoor het kerkgebouw, dat te klein was geworden, verbouwen. Aangezien dat gebeurd was tegen de wil van de abt van St.-Pieters, kwam het tot een proces voor de Raad van Vlaanderen. Bij rechterlijke uitspraak werd de pastoor verplicht op zijn kosten de kerk in haar vorige staat te herstellen. In 1773 verzocht het gemeentebestuur de prelaat de kerk te willen vergroten. Vruchteloos! Een nieuw proces, nu voor de Grote Raad te Mechelen, sleepte drie jaar aan, tot de abt zich in 1776 akkoord verklaarde met de bouw van twee zijbeuken.

Reeds in de zestiende eeuw had de kerk twee klokken. Bij de inval der Fransen werden ze opgeëist. De inwoners hadden ze echter verborgen. Nadat de schuilplaats verraden was, werden de klokken naar Gent gevoerd. In 1808 kwam er een nieuwe klok. Oude kerkrekeningen vermelden dat er tot in de 17de eeuw op Goede Vrijdag brood werd uitgedeeld in de kerk. Met de kermis predikte altijd een vreemde priester in de versierde kerk. Met Pasen en Kerstmis deelde men koeken en wijn uit aan de gelovigen. Gegoede gemeentenaren brachten soms levensmiddelen naar de kerk, die er dan bij opbod werden verkocht. De eerste kapelaan werd in 1759 aangesteld. St.-Eligius werd de eeuwen door vroom vereerd. Elk jaar, met uitzondering van een lange periode in het begin van de 19de eeuw toen de kapel tot kolenmagazijn diende, trok een bedevaart naar het heiligdom dat waarschijnlijk dateert van einde 13de, begin 14de eeuw, om er de paarden te laten zegenen.

De oude Scheldekerk, toegewijd aan St.-Pieter en St.-Eligius, werd in 1874 afgebroken. In de huidige dorpskom had men ondertussen in 1870 de 45 m hoge neoromaanse kerk gebouwd. Twee zijaltaren, de predikstoel met de vier evangelisten, een paar biechtstoelen en de doopvont werden van de oude kerk verhuisd naar de nieuwe. In 1879 werd een 1500 kg zware klok in de toren opgehangen.

Samen met de nijverheid, waarvoor in het Gentse talrijke fabrieken en werkplaatsen gebouwd werden, ontwikkelde zich een sociale arbeidersbeweging die zich van Gent uit over de streek voortplantte. In 1913 had te Gent de wereldtentoonstelling plaats.

De 4de augustus brak de Eerste Wereldoorlog uit. Merelbeke werd vanuit Gent fel beschoten. Nadat de bruggen over de Schelde waren vernield, trokken de troepen zich terug tot Deinze. Heel wat materiële schade werd aangericht door de slag bij Gontrode-Kwatrecht. Vier jaar lang eiste de bezetter mens en dier op. Op 11 augustus 1916 werd de kapelaan De Clercq als spion door de Duitsers terechtgesteld. Toen smokkelaars een soldaat doodden, spoorden de Duitsers de vermoedelijke daders op. Eén van hen werd meegesleurd, gebonden aan een wagen tot zijn lichaam totaal verminkt was. Toen de veldwachter hoorde dat men hem verdacht als medeplichtige, dook hij onder. Van 1916 tot 1918 zat hij verscholen op het enge zoldertje van het lijkenhuisje. De parochiepriester zorgde ervoor dat hij 's nachts voedsel vond op het kerkhof.

Na de wapenstilstand keerden méér dan 50 Merelbekenaren niet meer van het slagveld terug. Op het dorpsplein werd een monument opgericht met de namen van de helden. In 1929 machtigde koning Albert de gemeente tot gebruik van een bijzonder wapen dat reeds voor 1795 bestond. In de periode tussen de twee oorlogen hebben Gent en omgeving zwaar geleden onder de economische crisis.

Toen kwamen de woelige meidagen van 1940. De Belgische militaire autoriteiten evacueerden een groot gedeelte van de bevolking over de Schelde. In de maanden voor de Tweede Wereldoorlog, bouwde het Belgische leger een verdedigingsgordel rond de strategisch belangrijke stad Gent. Op de heuveltoppen in de buurt van Merelbeke, Oosterzele en Gavere verrezen tientallen versterkte bunkers die de Arteveldestad in bescherming moesten nemen. De meeste staan er nog (www.bunkergordel.be). 

Op 23 mei lag Merelbeke in de vuurlijn van het Belgisch geschut. Toen onze mensen na een week terugkeerden, vonden ze vele huizen in puin of geplunderd, het vee doolde rond, hier en daar vond men lijken. Met de dood in het hart hernam de bevolking haar bezigheden. Méér en méér gebruikte de vijand de terreurmethodes van ’14 - ’18: opeising van koper en non-ferrometalen, verplichte arbeidsdienst, executies van gijzelaars, deportatie van weerstanders. Veel jonge lieden zochten een schuilplaats om gedwongen tewerkstelling in Duitsland te ontgaan, of sloten zich bij het verzet aan. Gedurende de bezetting werden er te Merelbeke driemaal Duitsers gelegerd.

In de strenge winter van ’41 - ’42 werden enkele huizen met de swastika beklad. Een veertigtal gijzelaars werden daarop verplicht nachtwacht te doen. Een tekort aan levensmiddelen leidde tot het ontstaan van de zwarte markt. In het voorjaar van 1944 begonnen de geallieerden met de bombardementen die de landing in Normandië voorafgingen. Bij hun poging om het belangrijke rangeerstation in de Stationswijk te verlammen, voerden Anglo-Amerikaanse vliegtuigen hun opdracht met zo weinig precisie uit, dat er onder de burgerbevolking van Merelbeke, Melle en Gentbrugge, meer dan 400 slachtoffers vielen. Hele wijken werden weggevaagd. Mgr. Coppieters, bisschop van Gent en een vertegenwoordiger van de koning, woonde de uitvaart van de slachtoffers bij. De data 10 april en 10 mei 1944 zullen de Merelbekenaren zich blijven herinneren. Op 6 juni 1944 landden de verbondenen op de kusten van Normandië. Begin september was Brussel bevrijd. Op 5 september joegen drie geallieerde tanks op de Hundelgemsesteenweg een Duitse voertuigencolonne op de vlucht. Na een laatste aanval op de Scheldelinie trokken de Duitsers zich terug. In het najaar viel nog een paar verdwaalde V1-bommen, die nauwelijks schade aanrichtten.

Op 8 mei 1945 was de nachtmerrie voorbij. Op het oorlogsmonument kon weer een nieuwe reeks namen gebeiteld worden. De grote klok, die na een ontroerende hulde van de bevolking in juli 1943 door de bezetter was meegevoerd, werd in december 1951 vervangen. Op de Florawijk, waar het puin snel verdween, trok men in ’54-’55 de modern-gotische O.-L.-V. van de Rozenkranskerk op. In de buurt duidt de monumentale toegangspoort van het Verlorenbroodhof (Pain-Perdu) de plaats aan waar in 1268 het vrouwenklooster van Ter Hagen stond, dat tolvrijdom genoot in heel het graafschap. De Vlaamse graven beschermden het sticht en nog in 1430 verleende Filips de Goede het zijn bijzondere sauvegarde. Na de 16de-eeuwse troebelen herstelde het klooster zich financieel nooit meer. Volgens een legende ruilden de uitgehongerde bewoners het goed voor een brood dat een voorbijganger op de weg had gevonden. Dat de naam zou ontstaan zijn omdat men er in beroerde tijden brood uitdeelde aan de armen, lijkt ons geloofwaardiger. Langzamerhand verviel het sticht, totdat het door de Fransen in 1794 werd opgeheven. Wel zond kanunnik Triest er nog enige Zusters van Liefde heen om er zieke, doofstomme en blinde meisjes te verzorgen. Wellicht daarom sprak de volksmond van het klooster van liefde. De snel aangroeiende bevolking van de Kwenenboswijk bouwde haar St.-Hendricuskerk.

In de jongste jaren werd het uitzicht van Merelbeke grondig gewijzigd door de aanleg van de autoweg Brussel-Oostende met een op- en afrit en het graven van de Ringvaart. Einde 1962 woonden hier op een oppervlakte van 1486,113 ha ongeveer 12855 mensen, hetzij 28,7% méér dan in 1937 toen er het maar 9988 waren. Ter vergelijking: in 1828 telde de gemeente 2435 inwoners. Op dezelfde datum (1962) was de bevolking als volgt verdeeld: 26,1% waren kinderen, 5,7 % waren dienstplichtigen, de actieve bevolking bedroeg 54,9 % en de gepensioneerden maakten 13,3 % van de bevolking uit. De bevolkingsdichtheid (aantal inwoners per vierkante km) was 865. Ingevolge de eenmaking van de gemeente Merelbeke en Lemberge bij K.B. van 19 juni 1964, vergrootte de oppervlakte van de gemeente tot 1984 ha en verhoogde het aantal inwoners tot 14.000.

Tot zover de beknopte geschiedenis van onze gemeente die in het verleden door vriend noch vijand werd gespaard, maar die zich door de spreekwoordelijke werkzaamheid en het optimisme van haar bevolking heeft weten te handhaven. Wie zich tijd en moeite getroost om tot de ziel van onze bloemengemeente door te dringen, zal verwonderd staan over de verrassingen die ze voorbehoudt aan wie haar wil liefhebben en begrijpen.


De auteur maakte dankbaar gebruik van:

  • Geschiedenis van de Oost-Vlaamse gemeenten, van De Potter en Broeckaert.
  • Archief van de familie Verhaegen.
  • Gemeentelijk archief
  • Monografie van Merelbeke, niet-gepubliceerde studie van de auteur.
  • Het kasteel "Blauwhuys" niet gepubliceerde studie van de auteur
  • Diverse artikelen, tijdschriften, kranten, alsook aanwijzingen en inlichtingen van verscheidene personen.

Kalender

Ga 3 maanden terugVorige maandmei 2013Volgende maandGa 3 maanden verder
madiwodovrzazo
29
test + test + test + test
12345
6
test + test + test + test
89101112
13
test + test + test + test
1516171819
20
test + test + test + test
2223242526
27
test + test + test + test
29303112
3
test + test + test + test
56789